Een tijdje geleden ging mijn telefoon. Wilbert. We kenden elkaar van jaren geleden, toen hij kort werkte bij de uitvaartonderneming waar ik ooit begon als drager te assisteren bij uitvaarten. Later heb ík nog bij hem gesolliciteerd, maar het liep anders: ik startte bij een andere uitvaartonderneming in Nijmegen.
Wilbert gaf aan niet lang meer te leven te hebben, en nodigde mij uit om met hem zijn uitvaart te bespreken. Zeer eervol, Wilbert heeft in zijn werkzame leven veel uitvaartondernemers ontmoet en dan toch extra fijn dat hij voor mij koos.
Het gesprek was mooi. Nuchter, helder, en tegelijk breekbaar. Wilbert had een indrukwekkende lijst met ervaringen verzameld van wat hij vooral níet wilde. Geen “moetjes”, geen toneelstukjes, geen details die voor de buitenwereld kloppen maar voor hem niet. En het was veel. Samen maakten we de slag en brachten we in kaart wat wél bij hem past. Toen ik wegging, zei hij dat het hem rust gaf. Bij het afdalen van de trap keek ik nog één keer omhoog. Daar stond hij, zwaaiend in de deuropening. Een beeld dat bleef hangen.
In de auto naar huis dacht ik: hoe moet dit zijn? Je lichaam dat je in de steek laat, en je hoofd dat geen veilige plek meer is. Het bleef daarna een tijd stil.
Tot Wilbert hoorde dat hij toch in aanmerking kwam voor euthanasie. Vanaf dat moment werd de stilte ingeruild voor bijna wekelijkse berichtjes. Een wijziging hier, een detail daar. Niet vanuit controlezucht, maar vanuit de behoefte om het af te ronden. Maar ook om het voor zijn broers vooraf goed te regelen en hen in alle rust afscheid te kunnen laten nemen. Alsof hij, door de punten op de i te zetten, de onmacht een fractie kleiner maakte. Hij had zijn grafplek uitgezocht. De steen was al besteld.
Voor het laatste gesprek vroeg hij zijn broers erbij. Hij wilde het zo regelen dat hij hen niet tot last zou zijn. Ik hoor een van hen nog zeggen: “Als je aan iemand kunt zien dat hij ziek is, kun je er anders mee omgaan… maar dit is helemaal niet zo.” Precies dat maakte het zo confronterend: het onzichtbare leed, in een vertrouwd gezicht.
Ik legde alles vast. Alles werd ondertekend. Niet door Wilbert, maar door zijn broer, die de rol van opdrachtgever op zich nam.
Kort na dat gesprek overleed Wilbert. En toen mocht ik voor hem doen wat hij jarenlang voor anderen had gedaan: een passende uitvaart verzorgen. In het uitvaartcentrum, van de uitvaartonderneming waar hij zelf lang eigenaar van was geweest. Met koffie, thee en vlaai. Met een klassieke Rolls-Royce naar het graf dat hij zelf had gekozen. Mooie woorden van familie en vrienden. En uiteindelijk werd hij in zijn graf gedaald. Daar lag hij. Op de plek waar hij zovelen eerder naartoe had begeleid.
Ik stapte in mijn auto en reed naar huis. Ik dacht; “zo Wilbert, het is gegaan zoals jij wilde”. Een mooi en waardevol contact kwam hiermee ten einde.
